Petrografisch onderzoek bestaat doorgaans uit zowel een macroscopische als microscopische analyse van het monster. Bij voorkeur wordt voor petrografisch onderzoek gebruikgemaakt van boorkernen met een diameter van minimaal 100 mm.

Bij de macroscopische analyse worden de kernen meestal over de lengte door midden gezaagd. Om meer details en structuur zichtbaar te maken en de beoordeling te vergemakkelijken kan het zaagoppervlak worden gepolijst en vervolgens geïmpregneerd met een fluorescerende epoxyhars. Door visuele beoordeling van het oppervlak, al dan niet ondersteund met een stereomicroscoop die 10 tot 60 keer vergroot, kunnen onvolkomenheden en gebreken in kaart worden gebracht. Hiermee wordt een eerste indruk verkregen over aard en verdeling van het toeslagmateriaal, de cementsteen, poriën, scheuren en aantastingsprocessen.

Op basis van de bevindingen bij de macroscopische analyse wordt een locatie bepaald waaruit een blokje nader te onderzoeken beton wordt gezaagd (circa 50 x 30 x 10 mm). Dit blokje wordt onder vacuüm geïmpregneerd met een fluorescerende epoxyhars. Aldus worden nagenoeg alle scheuren, holten en poriën in het blokje gevuld met de hars. Door middel van een speciale voorbewerking en slijpprocedé wordt het blokje op een glasplaatje gelijmd en afgeslepen totdat een doorzichtig ‘betonvlies’ ontstaat (het zogenaamde slijpplaatje) met een dikte van circa 20 µm. Vervolgens kan dit slijpplaatje nauwkeurig worden onderzocht met behulp van polarisatie- en fluorescentiemicroscopie (vergroting 25 tot 500 keer). Hierbij kunnen zaken als scheuren, aantastingen, mineralen, reactieproducten en verontreinigingen tot op nanoniveau worden waargenomen.

Deze producten maken gebruik van de PFM-onderzoek: polarisatie- en fluorescentiemicroscopie